ECLI:NL:CRVB:2016:1922

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 mei 2016
Publicatiedatum
25 mei 2016
Zaaknummer
14/4936 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht afgewezen

Appellant stelde in hoger beroep dat het griffierecht was betaald, maar de Raad oordeelde dat de betaling betrekking had op een andere procedure. In het verzet heeft de gemachtigde van appellant geen nieuwe gronden aangevoerd die de eerdere uitspraak onjuist zouden maken.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 mei 2016, waarbij partijen niet zijn verschenen. De zaak betreft een geschil over de Wet werk en bijstand (WWB).

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep bevestigd.

Uitspraak

Datum uitspraak: 10 mei 2016
14/4936 WWB-V, 14/4937 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak, bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2014, 13/8391 en 14/108 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Zitting heeft: T.G.M. Simons
Griffier: N. Talhaoui
Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 22 september 2015 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
In het verzetschrift heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat zij het griffierecht wel heeft betaald. Ter onderbouwing heeft zij een afschrift van een transactie overgelegd waaruit blijkt dat er op 14 oktober 2014 een bedrag van € 122,- aan de Raad is overgemaakt. De Raad heeft bij brief van 12 november 2015 aan de gemachtigde van appellant medegedeeld dat de betaling van 14 oktober 2014 betrekking heeft op een andere procedure in hoger beroep, bij de Raad geregistreerd onder nummer 14/5497 WWB. Op die brief is niet inhoudelijk gereageerd.
De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellant in verzet niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten geoordeeld dat de uitspraak van de Raad van 22 september 2015 onjuist is.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) N. Talhaoui (getekend) T.G.M. Simons

UM