ECLI:NL:CRVB:2016:1962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag bevestigd
Appellante, werkzaam als tandartsassistente, viel uit sinds november 2008 en kreeg aanvankelijk geen WIA-uitkering toegekend. Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken stelde het UWV vast dat zij onvoldoende arbeidsongeschikt was voor een WIA-uitkering en beëindigde deze per 21 oktober 2013. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat de medische informatie niet nieuw of objectief voldoende was om het besluit te herzien.
In hoger beroep herhaalde appellante haar klachten en overhandigde aanvullende medische rapporten, waaronder van een fysiotherapeut, psycholoog, orthopedisch chirurg en neuroloog. Het UWV handhaafde het standpunt dat er geen nieuwe medische feiten waren die het besluit konden wijzigen. De Raad concludeerde dat de klachten van appellante niet objectief waren toegenomen vóór de datum in geding en dat de beperkingen al bekend waren en meegewogen in eerdere beoordelingen.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende medische onderbouwing leverde om haar arbeidsongeschiktheid voor reguliere arbeid op de arbeidsmarkt anders te beoordelen. Ook het argument dat zij vrijgesteld was van sollicitatieplicht op grond van de Participatiewet bood onvoldoende grondslag. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.