ECLI:NL:CRVB:2016:1975
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een nabestaandenuitkering aangevraagd op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot in 2012, waarbij zij verklaarde arbeidsongeschikt te zijn. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft het UWV gevraagd een onderzoek te doen naar haar arbeidsongeschiktheid. Op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek concludeerde het UWV dat appellante niet arbeidsongeschikt is, ondanks fysieke beperkingen en allergieën.
Na bezwaar en een aanvullend onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bleef het oordeel dat appellante met haar beperkingen passende functies kan vervullen en dus niet arbeidsongeschikt is. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en vond geen reden om te twijfelen aan het oordeel van het UWV.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onvoldoende serieus waren genomen en dat zij medisch niet geschikt was voor de geduide functies. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn, mede gelet op het gebruik van beschermende maatregelen zoals dunne handschoenen.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.