Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 122,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd geconfronteerd met een besluit tot intrekking van deze bijstand wegens het vermeend voeren van een gezamenlijke huishouding met haar partner, H, zonder dit te hebben gemeld. Het dagelijks bestuur baseerde dit besluit op diverse onderzoeksbevindingen, waaronder waarnemingen, getuigenverklaringen en telefoniegegevens.
De rechtbank had het besluit deels vernietigd voor de periode van 22 december 2008 tot 1 december 2010, maar de Raad beoordeelde het hoger beroep over de periode van 1 december 2010 tot 1 oktober 2013. De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag boden om te concluderen dat H zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres gedurende deze periode.
De verklaringen van buurtbewoners waren niet overtuigend en de waarnemingen boden slechts een indruk, geen bewijs. Ook het waterverbruik en telefoniegegevens ondersteunden de conclusie niet. Bovendien verbleef H vanaf september 2013 veelvuldig tijdelijk vanwege revalidatie en de opvang van kinderen. De Raad vernietigde het besluit voor de genoemde periode en droeg het dagelijks bestuur op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, met mogelijkheid tot beroep bij de Raad.
Daarnaast werd het dagelijks bestuur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding in de periode 1 december 2010 tot 1 oktober 2013.