Appellant ontving sinds 2003 een Wajong-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering in 2005 in, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% zou bedragen. Na meerdere aanvragen en bezwaren handhaafde het UWV dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij de conclusies van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige onderschreef.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen onvoldoende waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en verzocht hij om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts voldoende gemotiveerd had vastgesteld dat appellant meer begeleiding nodig had dan anderen, maar dat de arbeidsdeskundige niet inzichtelijk had gemaakt hoe deze begeleiding anders dan via een jobcoach kon worden ingevuld.
De Raad stelde dat de jobcoach een re-integratievoorziening is en niet relevant voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Omdat de arbeidsdeskundige niet voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies binnen de mogelijkheden van appellant lagen zonder inzet van een jobcoach, vernietigde de Raad het bestreden besluit en beval het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.