Appellant meldde zich ziek met overspannenheid en depressieve klachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat volgens hun verzekeringsartsen de toegenomen beperkingen sinds 2007/2008 het gevolg waren van alcoholmisbruik en niet van een depressieve stoornis, waarmee een andere ziekteoorzaak werd aangenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en vond dat het UWV de zware bewijslast had voldaan om aan te tonen dat de toegenomen beperkingen niet uit dezelfde oorzaak voortkwamen als de eerdere beperkingen in 2004. Appellant stelde in hoger beroep dat er een wisselwerking was tussen depressieve klachten en alcoholmisbruik en dat de beperkingen wel degelijk uit dezelfde oorzaak voortkwamen.
De Raad oordeelde dat het UWV niet aan de zware bewijslast had voldaan, mede op basis van het rapport van psychiater Schoutrop, die een vicieuze cirkel tussen depressie en alcoholgebruik aannam. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beval het UWV tot een nieuwe beslissing op bezwaar over te gaan. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.