ECLI:NL:CRVB:2016:2024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij ontheffing arbeidsverplichtingen WWB
Appellante ontvangt sinds 2003 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg heeft haar voor de periode van 6 mei 2014 tot 6 mei 2015 gedeeltelijk vrijgesteld van arbeidsverplichtingen vanwege volledige arbeidsongeschiktheid, met de verplichting mee te werken aan scholing en maatschappelijke participatie.
Na een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek in 2014 en een bevestiging van het college bij besluit van 3 september 2014, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit en vervolgens hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep ongegrond verklaarde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante onvoldoende procesbelang heeft bij haar hoger beroep omdat de ontheffingsperiode inmiddels is verstreken en de arbeidsverplichtingen weer van rechtswege zijn herleefd. Het college heeft nog geen nieuwe beslissing genomen op basis van de actuele medische situatie. Appellante kan bij een toekomstige beslissing opnieuw bezwaar maken.
Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.