ECLI:NL:CRVB:2016:2041
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en afwijzing langdurigheidstoeslag
Appellanten waren tot 2002 gehuwd en hebben drie kinderen. Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, terwijl appellant een werkloosheidsuitkering kreeg en vermoedelijk samenwoonde met appellante op het uitkeringsadres tussen december 2010 en mei 2011.
Na een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand werd vastgesteld dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden, waardoor de bijstand aan appellante onterecht was verstrekt. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug. Tevens werd een aanvraag voor langdurigheidstoeslag afgewezen vanwege onduidelijkheid over het inkomen.
De rechtbank wees de beroepen af, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad oordeelde dat het college voldoende bewijs had voor de gezamenlijke huishouding en dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht hadden op aanvullende bijstand of de toeslag. De intrekking en terugvordering blijven daarom gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en de aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen.