ECLI:NL:CRVB:2016:2047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant was sinds 2003 in dienst bij werkgever als planner en meldde zich in 2010 ziek. Na onderzoek bleek hij niet in staat om zijn werk voort te zetten en werd een tweede spoortraject ingezet. Het dienstverband met werkgever eindigde in maart 2012. Vervolgens sloot appellant een overeenkomst met werkgever 3, aangeduid als arbeidsovereenkomst, voor twaalf maanden met eenzelfde salaris. Werkgever 3 meldde appellant aan bij de Belastingdienst en droeg premies af.
Appellant verrichtte geen daadwerkelijke werkzaamheden voor werkgever 3, behalve het kort bekijken van een auto en het zoeken naar werk bij werkgever 2. Het UWV wees een WW-uitkering af omdat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met werkgever 3. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de overeenkomst gericht was op re-integratie en uitstroom naar ander werk, niet op het verrichten van arbeid.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel arbeid had verricht en dat de rechtbank onterecht het eenmalige chauffeurswerk meewoog. De Raad oordeelde dat werkgever 3 geen partij is in de procedure en bevestigde dat de overeenkomst feitelijk gericht was op begeleiding en niet op arbeid. De Raad concludeerde dat appellant geen werknemer was in de zin van de WW en wees het beroep af.
Uitkomst: Appellant was geen werknemer in de zin van de WW en heeft geen recht op een WW-uitkering.