Appellant verzocht kinderbijslag voor drie kinderen die in een jeugdinstelling verbleven. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal 2011 omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij minimaal € 408 per kwartaal bijdroeg aan het levensonderhoud van de kinderen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Svb handhaafde dit besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat de bijdragen aan het LBIO en reiskosten ten onrechte niet als onderhoudsbijdrage werden erkend en dat het onmogelijk was om aan de onderhoudsverplichting te voldoen zolang hij bijstand ontving. De Svb kende kinderbijslag toe voor het tweede kwartaal 2011 tot en met het eerste kwartaal 2012 voor twee kinderen, maar niet voor latere kwartalen. De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is voor het besluit over het tweede kwartaal 2011 tot en met het eerste kwartaal 2012, omdat dit besluit al is herzien en het belang van appellant ontbreekt.
Voor kind 1 bevestigde de Raad dat appellant onvoldoende bewijs leverde van de onderhoudsbijdrage, waardoor geen recht op kinderbijslag bestaat. De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van proceskosten aan appellant. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard voor het deel over het eerste besluit en bevestigd voor het overige.