ECLI:NL:CRVB:2016:2059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens hennepkwekerij in woning appellante
Appellante ontvangt sinds 2011 bijstand en woont met haar kinderen in een woning waarvan zij samen met haar ex-man mede-eigenaar is. In 2012 werd in haar woning een hennepkwekerij aangetroffen. Het college trok daarop de bijstand over de periode juli 2011 tot mei 2012 in en vorderde de kosten terug, omdat appellante niet had gemeld dat er een hennepkwekerij in haar woning was en dat zij inkomsten had genoten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij zelf geen kwekerij exploiteerde en er geen sprake was van inkomsten uit de kwekerij. De Raad oordeelde echter dat het aantreffen van de kwekerij de vooronderstelling rechtvaardigt dat zij mede-eigenaar was en dat opbrengsten ook haar ten goede kwamen. Appellante slaagde er niet in dit met objectieve gegevens te weerleggen.
Verder werd vastgesteld dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van de kwekerij, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het college was daarom gerechtigd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De door appellante aangevoerde bijzondere omstandigheden werden niet als dringende redenen erkend. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.