Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand volgens de Wet werk en bijstand (WWB) en werd betrapt op het exploiteren van een hennepkwekerij in zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok de bijstand over de periode van 7 juni 2012 tot en met 25 oktober 2012 in en vorderde de kosten terug. Tevens werd de bijstand met 100% verlaagd gedurende een maand als maatregel wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de periode van hennepteelt onjuist was vastgesteld en dat de teelt uitsluitend voor eigen gebruik was, waardoor geen melding verplicht was. De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag boden voor de vaststelling van de exploitatieperiode en dat de hennepteelt professioneel was, gezien de omvang en gebruikte apparatuur. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de teelt slechts voor eigen gebruik was.
De Raad bevestigde dat de schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond vormt voor intrekking en terugvordering van bijstand. Ook de opgelegde maatregel van verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand was in overeenstemming met de geldende verordening. Het beroep op dubbele bestraffing werd verworpen omdat de bestuursrechtelijke maatregel en de strafrechtelijke sanctie verschillende gedragingen betreffen.
Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking, terugvordering en maatregel worden bevestigd.