Appellante was werkzaam als persoonlijk verzorgster en magazijnmedewerkster en meldde zich ziek in 2009. Het UWV besloot dat zij vanaf 31 januari 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, hetgeen door appellante werd bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellante dat haar psychische klachten waren onderschat en dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht.
Na aanvullend onderzoek en een rapport van een psychiater concludeerde het UWV dat appellante per 31 januari 2011 volledig arbeidsongeschikt was op grond van medische en arbeidskundige gronden, maar dat deze arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende onderbouwing had gegeven voor deze conclusie, mede gelet op de mogelijkheid van verbetering binnen een jaar.
Appellante voerde aan dat de berekening van haar dagloon onjuist was, maar de Raad oordeelde dat de gehanteerde berekeningswijze juist was. Verder werd een overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase vastgesteld, die geheel voor rekening van de Staat kwam. De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 1.500,- en het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het eerdere besluit en verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit gegrond, bevestigde het recht op een WGA-uitkering vanaf 31 januari 2011, wees het beroep tegen het latere bezwaarbesluit af, en legde de genoemde vergoedingen op.