ECLI:NL:CRVB:2016:2095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen voor alleenstaande wegens wijziging woonsituatie hulpbehoevende
Betrokkene ontving een AOW-pensioen voor een alleenstaande. Sinds december 2012 woont een hulpbehoevende persoon tijdelijk bij haar. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag het pensioen in augustus 2013 naar een samenwonendenpensioen, omdat de hulpbehoevende vanaf 1 augustus 2013 niet langer over een eigen woning beschikte.
Betrokkene maakte bezwaar tegen deze herziening, waarop de rechtbank Oost-Brabant het besluit vernietigde omdat de Svb niet had beoordeeld of op grond van artikel 17a lid 2 AOW van herziening kon worden afgezien. De Svb ging in hoger beroep en stelde dat artikel 17a lid 2 niet van toepassing was.
De Centrale Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de Svb had verzuimd artikel 17a lid 2 toe te passen, omdat deze bevoegdheid alleen geldt in de gevallen genoemd in lid 1 van dat artikel. Verder bevestigde de Raad dat betrokkene niet langer voldeed aan de voorwaarden voor een alleenstaand pensioen, omdat de hulpbehoevende geen eigen woning meer had. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 mei 2016.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen van alleenstaande naar samenwonende is terecht en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.