ECLI:NL:CRVB:2016:2101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering startende zelfstandige
Appellante ontving vanaf 1 januari 2007 een WW-uitkering en kreeg toestemming om werkzaamheden te verrichten voor de start van een eigen bedrijf. De uitkering werd deels als voorschot betaald en 70% van de inkomsten als zelfstandige werd in mindering gebracht. Na beëindiging van de WW-uitkering per 12 september 2007 stelde het UWV vast dat appellante €3.019,10 te veel aan voorschotten had ontvangen en vorderde dit bedrag terug.
Appellante maakte bezwaar met het argument dat de vordering was verjaard. De rechtbank stelde vast dat het UWV pas op 4 november 2013 definitieve belastingaanslagen over 2007 en 2008 ontving, waardoor het pas toen bekend was met de feiten die terugvordering rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat er geen sprake was van verjaring.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV eerder had moeten handelen omdat zij tijdig haar inkomsten had opgegeven en dat het interne ontvangstbericht van het UWV niet relevant was voor de verjaring. De Raad oordeelde dat het UWV op grond van het toepasselijke besluit moest uitgaan van de definitieve belastingaanslagen en dat de verjaring pas vanaf 4 november 2013 begon. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de terugvordering van €3.019,10 aan onverschuldigde WW-voorschotten heeft ingesteld omdat de vordering niet was verjaard.