ECLI:NL:CRVB:2016:2103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- G. van Zeben-de Vries
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellante heeft meerdere malen een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) telkens heeft vastgesteld dat zij niet arbeidsongeschikt genoeg is om recht op de uitkering te hebben. Na een uitgebreide medische en arbeidskundige beoordeling, inclusief rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, is geconcludeerd dat appellante ondanks haar lichte verstandelijke handicap en psychische aandoeningen in staat is om ten minste 75% van het maatmaninkomen te verdienen.
De rechtbank Noord-Holland oordeelde dat het besluit van het Uwv niet onzorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkt was dan aangenomen en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Raad oordeelde dat het rapport van de arbeidsdeskundige dat appellante geen reguliere arbeidsmogelijkheden heeft, onvoldoende was onderbouwd en niet relevant was voor de datum in geding.
De Raad bevestigde dat de medische en arbeidskundige rapporten een juiste en zorgvuldige beoordeling geven, dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat en dat de geselecteerde functies passend zijn. Daarom is het hoger beroep ongegrond en blijft de weigering van de Wajong-uitkering in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.