Appellante, werkzaam bij de gemeente Enschede als [functie 1], werd ingedeeld in de generieke functiebeschrijving [functie 2] met schaal 10, terwijl zij stelde dat haar functie in [functie 3] ingedeeld had moeten worden. De rechtbank Overijssel oordeelde aanvankelijk dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de functie niet in [functie 3] kon worden ingedeeld, maar na nadere motivering verklaarde zij het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de indeling onhoudbaar was en dat de rechtbank ten onrechte geen uitspraak had gedaan over de vergoeding van griffierecht en proceskosten. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de rechterlijke toetsing terughoudend is en beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. Uit de motivering van het college bleek dat de functie van appellante vooral operationeel en tactisch van aard is, zonder beleidsontwikkeling op meerdere samenhangende vakgebieden, wat de indeling in [functie 2] rechtvaardigt.
De Raad oordeelde dat de eerdere motiveringsgebreken door het college in hoger beroep waren hersteld, maar dat de rechtbank ten onrechte het college niet had veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Daarom werd de aangevallen tussenuitspraak bevestigd en de einduitspraak vernietigd voor zover het college niet werd veroordeeld tot vergoeding van de kosten. Het college werd veroordeeld tot een totale proceskostenvergoeding van €2.728,- en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €168,-.