ECLI:NL:CRVB:2016:2127

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2016
Publicatiedatum
9 juni 2016
Zaaknummer
15-3932 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering naar norm thuiswonende studerende

Appellante stond ingeschreven op een adres in de gemeentelijke basisregistratie personen (brp), maar woonde feitelijk bij haar ouders. De minister kende studiefinanciering toe op basis van de norm voor uitwonende studenten. Na een huisbezoek door controleurs, waarbij werd vastgesteld dat appellante niet op het brp-adres woonde maar dat adres slechts als postadres gebruikte, herzag de minister de studiefinanciering naar de norm voor thuiswonenden en vorderde het te veel betaalde bedrag terug.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het huisbezoek rechtmatig was, mede omdat de hoofdbewoner toestemming gaf voor het betreden van de woning en de kamer van appellante niet als exclusief woongebruik gold. Appellante stelde in hoger beroep dat het huisbezoek onrechtmatig was vanwege onvoldoende uitleg over het doel en het ontbreken van haar toestemming voor het betreden van haar kamer.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp de herhaalde bezwaren van appellante. Er werden geen nieuwe feiten of argumenten ingebracht die tot een ander oordeel konden leiden. Het hoger beroep en het verzoek om schadevergoeding werden afgewezen, en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van de studiefinanciering naar de norm voor thuiswonende studerende wordt bevestigd.

Uitspraak

15/3932 WSF
Datum uitspraak: 9 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
12 mei 2015, 14/3516 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.1.
Appellante stond van 16 december 2013 tot 11 maart 2014 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba), nu basisregistratie personen (brp), onder het adres [Adres A] te [woonplaats]. Appellante staat vanaf 11 maart 2014 in de brp ingeschreven onder het adres van haar ouders, [Adres B] te [woonplaats].
1.1.2.
De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 11 januari 2014 met ingang van 1 januari 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellante toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
1.2.1.
Op 8 maart 2014 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de brp was ingeschreven om te controleren of zij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoner opgenomen. Van het onderzoek is op 11 maart 2014 een rapport gemaakt. Bij het rapport is de verklaring van de hoofdbewoner gevoegd. Deze verklaring is door de hoofdbewoner ondertekend.
1.2.2.
In het rapport is vermeld dat in de kamer die de hoofdbewoner als kamer van appellante heeft laten zien geen spullen zijn aangetroffen die van appellante zijn. Volgens de hoofdbewoner liggen er op het brp-adres in het geheel geen spullen van appellante. Vervolgens heeft de hoofdbewoner toegegeven dat appellante niet op het brp-adres, maar bij haar ouders woont. Volgens de hoofdbewoner gebruikt appellante het brp-adres alleen als een postadres.
1.3.
De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het rapport en de verklaring zoals die zijn weergegeven onder 1.2.2 bij besluit van 3 mei 2014, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 11 september 2014 (bestreden besluit), de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2014 herzien in die zin dat appellante vanaf die datum is aangemerkt als thuiswonende studerende. Het aan appellante over de periode van januari 2014 tot en met maart 2014 te veel betaalde bedrag van € 563,67 is daarbij van haar teruggevorderd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het rapport van de controleurs van 11 maart 2014 een voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie van de minister dat appellante ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres. Volgens de rechtbank treft de stelling van appellante dat het voor de hoofdbewoner onvoldoende duidelijk was wat de aanleiding en het doel van het huisbezoek waren geen doel. De hoofdbewoner heeft het formulier “toestemming en verklaring huisbezoek” ondertekend. Hiermee heeft de hoofdbewoner bevestigd dat de controleurs zich hebben gelegitimeerd en hem de reden en het doel van het huisbezoek hebben uitgelegd. De stelling van appellante dat de controleurs haar ten onrechte geen toestemming hebben gevraagd om haar kamer te betreden, treft volgens de rechtbank evenmin doel. Wanneer één bewoner van een woning toestemming tot binnentreden verleent, wordt in beginsel geen inbreuk gemaakt op het huisrecht van de overige bewoners. Uit die toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden afgeleid dat de overige bewoners instemmen met dit binnentreden, behoudens voor zover het betreft de in die woning afzonderlijke en afsluitbare gedeelten, die zijn bestemd voor het exclusief woongebruik van die andere bewoners. Gelet op de woonsituatie op het brp-adres was de toestemming van de hoofdbewoner voldoende voor het ten aanzien van appellante rechtmatig betreden van de woning. Dat geldt ook voor de kamer die als kamer van appellante is getoond. Deze kamer was, gelet op wat daar is aangetroffen en wat daarover is verklaard, zeker op dat moment niet bestemd tot het (exclusief) woongebruik van appellante.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het huisbezoek onrechtmatig is verricht. Volgens appellante hebben de controleurs de hoofdbewoner onvoldoende duidelijk gemaakt wat de aanleiding en het doel van het huisbezoek waren. Voorts heeft appellante herhaald dat inbreuk is gemaakt op haar huisrecht. Volgens appellante hebben de controleurs haar ten onrechte geen toestemming gevraagd om haar kamer te betreden.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van wat zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht.
4.2.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en op hoofdlijnen de overwegingen die zij daartoe heeft gegeven. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante op juiste wijze besproken. De Raad heeft daar niets aan toe te voegen.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente moet worden afgewezen.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2016.
(getekend) J.Brand
(getekend) J.W.L. van der Loo

MO