Appellant ontving een WW-uitkering van 6 mei 2013 tot 5 augustus 2013. Het UWV stelde vast dat appellant tussen 10 juni 2013 en 4 augustus 2013 werkzaamheden verrichtte bij twee werkgevers zonder dit te melden, en legde een boete op van € 1.541,10, gelijk aan het benadelingsbedrag.
Appellant maakte bezwaar tegen de boete, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank stelde de boete vervolgens vast op 50% van het benadelingsbedrag en wees de proceskosten toe aan appellant. De rechtbank oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat zijn melding aan de sociale dienst niet volstond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de boete niet op het minimumbedrag werd vastgesteld en dat de boete ten onrechte niet werd gematigd wegens verminderde verwijtbaarheid. Het UWV verlaagde de boete later tot € 390,- (25% van het benadelingsbedrag) vanwege verminderde verwijtbaarheid.
De Centrale Raad oordeelde dat de rechtbank voldoende had gemotiveerd en dat de melding aan de sociale dienst niet gelijkgesteld kon worden met melding aan het UWV. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak, verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke boetebesluit gegrond, maar het beroep tegen het nieuwe boetebesluit ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.