ECLI:NL:CRVB:2016:2175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting autobezit
Appellant ontving bijstand vanaf 2002 en kreeg een uitkering toegekend. Het college stelde na onderzoek vast dat appellant in de periode 2002-2010 meerdere voertuigen op zijn naam had staan en deze zonder melding aan het college had overgedragen, waardoor de inlichtingenverplichting werd geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking en terugvordering van bijstand ongegrond. In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat hij een afspraak had met zijn klantmanager dat bepaalde voertuigen niet gemeld hoefden te worden en dat het ging om oude voertuigen zonder waarde. Deze gronden werden verworpen omdat de afspraken niet aannemelijk waren en het autobezit en transacties relevant zijn voor het recht op bijstand.
Verder stelde appellant dat terugvordering niet passend was vanwege dringende redenen en dat de vordering was verjaard. De Raad oordeelde dat dringende redenen niet bestonden en dat de verjaringstermijn van vijf jaar pas begon te lopen toen het college in 2011 bekend werd met de feiten. Appellant slaagde niet in het aannemelijk maken dat hij recht had op bijstand over de transactiemaanden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van bijstand en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.