ECLI:NL:CRVB:2012:BW9784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellant en zijn huisgenoot woonden samen en ontvingen bijstand. Het college stelde na onderzoek dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, gekenmerkt door wederzijdse zorg en financiële verstrengeling, waaronder gezamenlijke verzekeringen en bankmachtigingen.
Appellant betwistte dit en voerde aan dat er sprake was van een zakelijke huurder/verhuurderrelatie en dat de terugvordering verjaard zou zijn. De Raad oordeelde dat de feiten en omstandigheden, zoals het verlenen van mantelzorg en financiële verwevenheid, wijzen op een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB.
De Raad verwierp het verjaringsverweer, omdat het college pas in 2008 op de hoogte was van de relevante feiten. Ook deed een eerdere strafrechtelijke vrijspraak geen afbreuk aan het bestuursrechtelijke oordeel. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstandskosten mede van appellant bevestigd.