ECLI:NL:CRVB:2016:2177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet verstrekken gevraagde gegevens en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand in verschillende perioden en werd onderzocht na een melding over verblijf in Engeland en mogelijke inkomsten uit taxi-werk. Het dagelijks bestuur verzocht om aanvullende gegevens, waaronder bankafschriften van een Engelse bankrekening, die appellant niet tijdig verstrekte. Hierdoor werd zijn bijstand opgeschort en later ingetrokken.
Appellant voerde aan dat hij de gevraagde stukken al had ingeleverd bij een voormalige inkomensconsulent en dat hij de bankafschriften niet tijdig kon overleggen vanwege het verlies van zijn bankpas. De Raad oordeelde dat appellant deze stellingen onvoldoende aannemelijk had gemaakt en dat het verzuim hem te verwijten viel.
Daarnaast werden bijschrijvingen op zijn Nederlandse bankrekening niet gemeld, evenals de inschrijving van twee koeriersbedrijven bij de Kamer van Koophandel. Dit leidde tot het oordeel dat de bijstandbehoevendheid niet kon worden vastgesteld, waarna de bijstand over de betreffende perioden werd ingetrokken.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De Raad bevestigde dat het dagelijks bestuur terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand wegens niet-naleving van de medewerkingsplicht en het niet verstrekken van relevante gegevens binnen de gestelde termijnen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege het niet verstrekken van gevraagde gegevens binnen de hersteltermijn en schending van de inlichtingenplicht.