De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen. In een eerdere tussenuitspraak werd vastgesteld dat het oorspronkelijke besluit gebreken vertoonde, met name op het gebied van de psychische beperkingen van appellante. Het UWV heeft daarop aanvullend onderzoek laten verrichten en een aangescherpte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellante op enkele punten aanvullend beperkt is, maar dat dit geen gevolgen heeft voor de geselecteerde functies die binnen haar belastbaarheid vallen. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de functies productiemedewerker metaal en elektro-industrie, snackbereider (handmatig) en medewerker tuinbouw passend zijn.
Appellante betwistte onder meer de beoordeling van het handelingstempo en de passendheid van de functies, maar het UWV handhaafde haar standpunt. De Raad oordeelde dat het UWV met de nieuwe rapporten de gebreken had hersteld en dat het besluit om geen WIA-uitkering toe te kennen terecht is, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is sinds 30 januari 2012.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.