ECLI:NL:CRVB:2016:2207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgevolg brief beëindiging maatschappelijke opvang en hoger beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had opvang in een maatschappelijke opvanglocatie voor zes maanden. Na afloop van deze periode diende appellant een verzoek in tot voortzetting van de opvang. Het college reageerde met een brief waarin werd meegedeeld dat de opvangperiode was verstreken en beëindigd diende te worden, en stelde voor de aanvraag te behandelen als een aanvraag op grond van de Wmo.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Awb zou zijn. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het college niet had geoordeeld over het bezwaar dat de brief een besluit tot beëindiging van de opvang zou zijn. Tegelijkertijd oordeelde de rechtbank dat de brief geen zelfstandig rechtsgevolg had en bevestigde de rechtsgevolgen van het eerdere besluit tot beëindiging.
In hoger beroep betoogde appellant dat de brief wel een besluit was en dat hij de beëindiging van de opvang moest kunnen aanvechten. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en oordeelde dat de brief slechts een informatieve mededeling was, geen zelfstandig besluit, en dat appellant bij aanvang van de opvang al op de hoogte was van de einddatum. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief van 4 juli 2014 geen besluit is en verklaart het hoger beroep ongegrond.