Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet, verzocht om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigde dit besluit en kende betrokkene recht op opvang toe, inclusief een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.
Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het bezwaar tegen de opvangvoorwaarden in de Vluchthaven wel ontvankelijk had moeten worden verklaard, maar dat dit geen vernietiging van het besluit rechtvaardigde. Verder bevestigde de Raad dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.
De Raad wees het hoger beroep van betrokkene af en verklaarde het beroep van het college gegrond, behalve voor het deel over de dwangsom. De rechtbank had terecht een dwangsom toegekend wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar van 11 maart 2014. De uitspraak van de rechtbank werd op dat punt bevestigd, en voor het overige vernietigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling in hoger beroep opgelegd. De beslissing werd uitgesproken door L.M. Tobé, in aanwezigheid van griffier M.S.E.S. Umans.