Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en een inkomensvoorziening op grond van de WIJ. Het college trok deze uitkeringen in omdat zij stelde dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met K en dit niet had gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep grotendeels ongegrond en bevestigde de intrekking.
In hoger beroep betoogde appellante dat het onderzoek van de sociale recherche onzorgvuldig was en dat samenwoning niet met terugwerkende kracht kan worden aangenomen. De Raad concludeerde dat er voldoende feitelijke grondslag was voor het standpunt van het college dat sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf 31 mei 2010.
Echter, voor de WIJ-uitkering geldt dat het inkomen en vermogen van K relevant zijn. Omdat het college dit niet had onderzocht, was de intrekking van de WIJ-inkomensvoorziening onterecht. De Raad vernietigde dit deel van het besluit en droeg het college op een nieuw besluit te nemen, waarbij nader onderzoek naar het inkomen van K moet plaatsvinden.
De terugvordering van het voorschot en de intrekking van de bijstand na 1 januari 2012 werden bevestigd. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.