ECLI:NL:CRVB:2016:2275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende bijstand zonder bijzondere omstandigheden
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 1 oktober 2013, maar het college wees dit af omdat hij een gezamenlijke huishouding voert en het gezamenlijke inkomen toereikend is. Na bezwaar werd bijstand toegekend vanaf 24 mei 2014 tot 29 juni 2014, maar niet met terugwerkende kracht naar de gewenste datum. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij vanaf 1 mei 2013 recht had op bijstand omdat hij toen een aanvraag bij het UWV had ingediend voor een WW- of Wajong-uitkering. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend vóór de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
De Raad constateerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zich daadwerkelijk op 1 mei 2013 bij het UWV had gemeld, en dat zelfs indien dat zo was, dit onvoldoende is om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Elke uitkering vereist een afzonderlijke aanvraag. Daarom was het college terecht begonnen met bijstand vanaf 24 mei 2014. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.