1.4.Bij besluit van 12 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 september 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant langer dan de toegestane periode van vier weken in het buitenland, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, heeft verbleven. Uit de door appellant overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat sprake was van een dringende reden, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, op grond waarvan de bijstand van appellant diende te worden voortgezet. Uit de stukken valt niet op te maken dat appellant in een medische acute noodsituatie verkeerde en dat de bijstandsbehoeftige omstandigheden waarin hij verkeerde op geen enkele andere wijze te verhelpen waren, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB degene die langer van vier weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, geen recht heeft op bijstand. Uit paragraaf 3.4.2 van de Beleidsregels WWB van de gemeente Amsterdam - zoals die golden ten tijde van belang - volgt dat bijstand niet meer wordt uitbetaald indien een belanghebbende langer dan 28 dagen in het buitenland verblijft. Bij overschrijding van meer dan veertien dagen, nadat de maximale termijn van
28 dagen is opgebruikt, wordt de bijstand beëindigd. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant langer dan de toegestane periode van 28 dagen in het buitenland, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, heeft verbleven. Nu uit de paspoortstempels van appellant blijkt dat hij op 9 september 2014 is vertrokken uit Marokko, is evenmin in geschil dat hij meer dan veertien dagen na de periode van 28 dagen heeft verbleven in het buitenland. Op grond hiervan was het college in beginsel gehouden de bijstand van appellant in te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank kan de ziekenhuisopname van appellant niet worden gekwalificeerd als een dringende reden, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van
1 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576) volgt dat bij toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB vast moet staan dat sprake is van een acute noodsituatie, een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg heeft. De rechtbank is van oordeel dat uit de medische stukken die appellant heeft overgelegd niet blijkt dat een dergelijke situatie aan de orde was. De stukken afkomstig uit Marokko zijn in het Frans opgesteld en zijn deels niet leesbaar. Uit de resultaten van de laboratoriumonderzoeken kan niet worden afgeleid wat er precies met appellant aan de hand was. Evenmin valt uit de stukken op te maken dat appellant niet mocht reizen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de bijstand van appellant terecht ingetrokken. 3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet in strijd met zijn eigen beleid heeft gehandeld door de bijstand van appellant in te trekken. Appellant heeft zich verder op het standpunt gesteld dat zijn situatie zodanig nijpend was, dat het college zijn bijstand niet had mogen intrekken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.