Uitspraak
9 december 2014, 14/4663 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar toenmalige echtgenoot ontvingen bijstand op grond van de WWB, maar het college trok deze bijstand in vanwege het bezit van onroerend goed in Turkije dat de vermogensgrens overschreed. Appellante vroeg later opnieuw bijstand aan en verklaarde dat de onroerende zaken waren verkocht, maar kon dit niet met bewijsstukken onderbouwen.
Het college verzocht om verkoopbewijzen en andere documenten, maar appellante leverde deze niet aan. Het college wees de aanvraag af omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld zonder de gevraagde informatie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende duidelijkheid had gegeven over haar financiële situatie en dat de overgelegde eigendomsbewijzen (tapu senedi’s) niet objectief en verifieerbaar aantoonden dat de onroerende zaken waren verkocht. Het beroep op beleidsvoorschriften voor actieve ondersteuning faalde omdat appellante niet aannemelijk maakte dat zij niet in staat was de gegevens te verkrijgen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen vanwege het niet verstrekken van de gevraagde verkoopgegevens van onroerende zaken in Turkije.