Uitspraak
mr. S. Salhi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 2004 en met ADHD en ODD, woont bij zijn moeder na de scheiding van zijn ouders. Bureau Jeugdzorg Haaglanden stelde een indicatie voor ggz-begeleiding vast, maar het Zorgkantoor weigerde op 11 juli 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen vanwege de schuldsaneringsregeling die op de vader van appellant van toepassing is.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, verwijzend naar eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat de weigeringsgrond in de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) ziet op situaties waarin fraudegevaar bestaat bij keuze tussen zorg in natura en pgb. Hoewel appellant's moeder stelde dat zorg in natura niet wenselijk is, achtte de rechtbank het Zorgkantoor terecht geweigerd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn vader geen deel uitmaakt van het gezin en dat het pgb beheerd wordt door de Sociale Verzekeringsbank, waardoor fraude niet aannemelijk is. Ook zou hij alleen zorg van zijn huidige begeleider accepteren.
De Raad oordeelde dat appellant deze stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat er geen bewijs was dat zorg in natura geen optie is. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het pgb bevestigd.