Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 974,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een minderjarige met een indicatie voor AWBZ-zorg, woonde bij zijn vader en pleegmoeder. De moeder van betrokkene was failliet verklaard. Het zorgkantoor weigerde een persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen per 1 juli 2012 op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling subsidies AWBZ (RsA), dat een pgb weigert indien een ouder failliet is.
De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat het zorgkantoor het pgb moest toekennen, omdat het belang van betrokkene zwaarder woog dan het belang van weigering. Het zorgkantoor ging in hoger beroep en stelde dat de regeling een gebonden bevoegdheid bevatte, waardoor geen belangenafweging mogelijk was.
De Raad overwoog dat de weigeringsgrond bedoeld is voor situaties waarin de verzekerde kan kiezen tussen zorg in natura en een pgb en waarbij fraudegevaar bestaat. In deze zaak was zorg in natura niet mogelijk en de failliete moeder had geen toegang tot de pgb-gelden. Daarom was de vrees voor fraude niet gerechtvaardigd. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het zorgkantoor in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het zorgkantoor ten onrechte het pgb heeft geweigerd en veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten.