Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Op 29 augustus 2012 werd in zijn woning een hennepkwekerij aangetroffen. Het college trok daarop de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode van 1 oktober 2011 tot en met 31 augustus 2012, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting zou hebben geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er voor 1 mei 2012 een hennepkwekerij aanwezig was. Dit oordeel baseerde de Raad op verklaringen, onder meer van een schilder en de afwezigheid van verhoogd energieverbruik, en op het ontbreken van onderbouwing in het Liander-rapport en politierapport over meerdere oogsten.
Voor de periode van 1 mei 2012 tot en met 31 augustus 2012 handhaafde de Raad de intrekking en terugvordering, omdat appellant geen aannemelijk bewijs leverde dat hij geen financieel voordeel had genoten. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en kreeg de opdracht een nieuw besluit te nemen over de terugvordering. Het griffierecht werd aan appellant vergoed.