Uitspraak
28 november 2014, 14/2711 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, vroeg een langdurigheidstoeslag aan over 2013. Het college wees dit af omdat het fiscaal inkomen van appellant in 2010, 2011 en 2012 hoger was dan de daarvoor geldende toetsbedragen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de bruto benadering van het inkomen onjuist was en dat het college hem op grond van het vertrouwensbeginsel toch de toeslag had moeten toekennen, mede omdat hij in 2009 al een toeslag had ontvangen. De Raad overwoog dat de gemeente binnen haar beleidsvrijheid de bruto benadering mag hanteren en dat een eerdere toekenning geen recht geeft op toekomstige toeslagen.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 juni 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de langdurigheidstoeslag bevestigd.