ECLI:NL:CRVB:2016:2382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing ambtenaar wegens impasse in arbeidsrelatie en ontslagvoornemen
Appellante was sinds 2000 in dienst als leerkracht bij de Almeerse Scholengroep (ASG). Na langdurige ziekte en een re-integratietraject waarbij zij niet volledig kon terugkeren in haar functie, maakte de ASG in april 2014 het voornemen kenbaar om haar te ontslaan wegens gewichtige redenen, waaronder een impasse in de arbeidsrelatie.
Omdat de zienswijzenprocedure langer duurde dan verwacht, besloot de ASG appellante per 20 augustus 2014 te schorsen op grond van artikel 4.13 van de CAO Primair Onderwijs. De schorsing duurde tot 1 oktober 2014, waarna het ontslag werd verleend. Later werd het ontslag ongedaan gemaakt na een schikking, maar de schorsing bleef onderwerp van geschil.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de schorsing ongegrond. Appellante voerde hoger beroep aan tegen deze uitspraak, stellende dat de schorsing onrechtmatig was en haar gezondheid en re-integratie negatief beïnvloedde. De ASG stelde incidenteel hoger beroep in, betwistte het procesbelang van appellante.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de ASG over voldoende gronden beschikte voor het ontslagvoornemen en dat de schorsing niet onevenredig lang was. De Raad verwierp het verweer dat de schorsing alleen mogelijk was indien het belang van de instelling dit dringend noodzakelijk maakte. Het hoger beroep van appellante en het incidenteel hoger beroep van de ASG werden verworpen, en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de schorsing van appellante rechtmatig was en wijst het hoger beroep af.