ECLI:NL:CRVB:2016:2384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding onroerend goed in Marokko
Appellanten ontvingen van 1996 tot 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een anonieme melding startte de gemeente Amsterdam een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij bleek dat appellant eigenaar was van een woning in Marokko ter waarde van circa €66.960. Appellanten hadden dit niet gemeld, wat leidde tot intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode 2003-2012.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Het college stelde dat de deviezenbeperking niet op appellanten van toepassing was omdat zij ook de Nederlandse nationaliteit hebben. Appellanten betoogden dat zij niet over de woning kunnen beschikken vanwege deviezenbeperkingen en dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld.
De Raad oordeelde dat de taxatie door een beëdigd taxateur betrouwbaar was en dat appellanten onvoldoende bewijs leverden voor de stelling dat de woning niet afgebouwd was of dat zij schulden hadden die het vermogen zouden verminderen. Ook maakten zij niet aannemelijk dat de deviezenbeperking hen belette over de woning te beschikken. De bewijslast lag bij appellanten, die deze niet konden dragen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.