ECLI:NL:CRVB:2016:2395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens verdiencapaciteit boven 65% na eerste ziektejaar
Appellante was werkzaam als paprikasnijder en meldde zich ziek met voet- en beenklachten. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij vanaf 1 maart 2014 geen recht meer had op Ziektewetuitkering omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stelde appellante dat haar gezondheidssituatie was verslechterd en dat zij financiële problemen had na het stopzetten van de uitkering. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een chronische psychische problematiek vaststelde, waarbij appellante slechts geschikt was voor zeer eenvoudig werk.
De Raad concludeerde dat de verslechtering van de gezondheid na de beoordelingsdatum niet tot een ander oordeel leidt en dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de functies geschikt zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.