ECLI:NL:CRVB:2016:2446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in spoor 1
Werknemer was sinds 2002 in dienst en meldde zich in 2011 ziek wegens artrose en psychische klachten. De bedrijfsarts concludeerde dat terugkeer in het eigen werk niet mogelijk was en adviseerde een arbeidskundig onderzoek. Uit rapporten bleek dat werknemer ongeschikt was voor zijn functie en dat binnen het bedrijf geen passende functies aanwezig waren.
Het UWV verlengde de loondoorbetalingsperiode met 52 weken (loonsanctie) wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever. De werkgever maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering van de werkgever.
In hoger beroep stelde de werkgever dat het bindende advies van de Landelijke Loonsanctie Commissie (BLLC) juist was gevolgd. De Raad oordeelde dat de werkgever onvoldoende had gemotiveerd waarom spoor 1 niet adequaat was onderzocht en dat de veronderstelling over het benzinepompstation onjuist was. Het latere rapport bevestigde dat geen passende functies binnen het bedrijf aanwezig waren. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen en de loonsanctie blijft gehandhaafd.