ECLI:NL:CRVB:2016:2447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van eigen bijdrage zorg met verblijf na peiljaarverlegging en herziening
Appellant verbleef sinds 2009 in een zorginstelling en was op grond van de AWBZ en het Bijdragebesluit zorg (Bbz) eigen bijdragen verschuldigd. De CAK stelde de eigen bijdragen voor de jaren 2010, 2012 en 2013 vast, waarbij sprake was van voorlopige vaststellingen op basis van geschatte inkomens en definitieve vaststellingen op basis van daadwerkelijke inkomensgegevens van de Belastingdienst.
Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van de eigen bijdragen en voerde aan dat deze te hoog waren vastgesteld, mede omdat CAK volgens hem had moeten weten dat zijn werkelijke inkomen hoger was dan het geschatte inkomen. Ook stelde hij dat vanwege zijn geringe inkomen en psychische gesteldheid matiging van de eigen bijdrage op zijn plaats was.
De Raad oordeelde dat CAK de eigen bijdragen correct had vastgesteld volgens de imperatieve en limitatieve regels van het Bbz. De voorlopige vaststelling was gebaseerd op met toestemming verkregen inkomensgegevens van het UWV en de definitieve vaststelling op de gegevens van de Belastingdienst. Er was geen sprake van een situatie waarin CAK had kunnen weten dat het inkomen hoger was. Verder bood de regeling geen ruimte voor matiging buiten de peiljaarverlegging, en de belangenafweging was correct uitgevoerd.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank Limburg en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.