ECLI:NL:CRVB:2016:2449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid als verzorgende en taxichauffeur
Appellant werkte van februari 2003 tot februari 2004 als verzorgende van zijn moeder en daarnaast als zelfstandig taxichauffeur. Na een ongeval beëindigde hij in 2005 het taxichauffeurschap. In 2007 kreeg hij een IVA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid vanaf maart 2005. In 2011 vroeg appellant alsnog een Ziektewet-uitkering aan met terugwerkende kracht vanaf februari 2004, verwijzend naar medische rapporten en de latere IVA-toekenning.
Het UWV wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat appellant op de datum in kwestie in staat was zijn werkzaamheden als verzorgende te verrichten. De rechtbank volgde dit oordeel, gesteund op het deskundigenadvies van psychiater Boeykens, die op basis van uitgebreid medisch onderzoek concludeerde dat appellant ondanks PTSS zijn werk kon doen.
In hoger beroep bracht appellant aanvullende rapporten in, maar de Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige Boeykens, die de medische situatie en beperkingen van appellant overtuigend motiveerde. Ook het feit dat appellant zich destijds niet ziek meldde, een WW-uitkering ontving, solliciteerde en als taxichauffeur werkte, ondersteunde het oordeel dat hij arbeidsgeschikt was. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering omdat appellant op 16 februari 2004 in staat was zijn werkzaamheden te verrichten.