ECLI:NL:CRVB:2016:2450
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en verkorting loonsanctie na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en meldde zich ziek vanwege lichamelijke en psychische klachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en verkortte de loonsanctie tegen haar werkgever. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de arbeidsdeskundige had vastgesteld dat appellante geschikt was voor haar eigen maatgevende arbeid. De verkorting van de loonsanctie werd eveneens als terecht beoordeeld op basis van rapporten van arbeidsdeskundigen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische problematiek onvoldoende was onderkend en dat zij niet in staat was haar eigen arbeid te verrichten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig en juist was, en dat de nieuwe medische stukken geen nieuw licht wierpen op haar situatie op de relevante datum.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering en verkorting van de loonsanctie worden bevestigd.