De zaak betreft hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over een WIA-uitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende informatie op te vragen bij de behandelend sector, waardoor het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was. Na een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaaft de Raad het besluit inhoudelijk, omdat de medische en arbeidskundige beoordelingen overtuigend zijn.
De verzekeringsarts bevestigt dat de werkneemster beperkingen ondervond als gevolg van haar ziektebeeld en dat een urenbeperking van 20 uur per week passend is. De arbeidsdeskundige past het opleidingsniveau aan en bevestigt de geschiktheid van bepaalde functies, waarmee de bezwaren van appellante worden weerlegd. De Raad vernietigt formeel het besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit volledig in stand.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante, begroot op €3.076,26, en bepaalt dat het UWV de betaalde griffierechten vergoedt. De uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen op 24 juni 2016.