Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2460

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2016
Publicatiedatum
29 juni 2016
Zaaknummer
14/3674 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over WIA-uitkering ondanks handhaving rechtsgevolgen

De zaak betreft hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over een WIA-uitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende informatie op te vragen bij de behandelend sector, waardoor het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was. Na een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaaft de Raad het besluit inhoudelijk, omdat de medische en arbeidskundige beoordelingen overtuigend zijn.

De verzekeringsarts bevestigt dat de werkneemster beperkingen ondervond als gevolg van haar ziektebeeld en dat een urenbeperking van 20 uur per week passend is. De arbeidsdeskundige past het opleidingsniveau aan en bevestigt de geschiktheid van bepaalde functies, waarmee de bezwaren van appellante worden weerlegd. De Raad vernietigt formeel het besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit volledig in stand.

Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante, begroot op €3.076,26, en bepaalt dat het UWV de betaalde griffierechten vergoedt. De uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen op 24 juni 2016.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven geheel in stand.

Uitspraak

14/3674 WIA
Datum uitspraak: 24 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 mei 2014, 13/5062 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[naam B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft op 8 januari 2016 een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2016:27.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 februari 2016 ingediend.
Appellante heeft op 17 mei 2016 haar zienswijze ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108 van Pro de Awb, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 8 januari 2016 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.
1.2.
Bij de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het in de rede had gelegen voor het Uwv om nadere informatie op te vragen bij de behandelend sector over de diagnose en (het verloop van) de behandeling(en) van de werkneemster, mevrouw
[Y.], op de datum in geding van 3 januari 2013. Door dit na te laten is onzorgvuldig gehandeld bij de voorbereiding van het bestreden besluit van 29 juli 2013 en is dat besluit door de gebrekkige medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd. De Raad heeft het Uwv opgedragen de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen, waartoe het Uwv in elk geval, na van de werkneemster verkregen toestemming, informatie dient op te vragen bij de behandelaren van de werkneemster, welke informatie vervolgens bij de medische en arbeidskundige beoordeling dient te worden meegewogen.
1.3.
Hierop heeft het Uwv bij brief van 1 maart 2016 meegedeeld het bestreden besluit te handhaven op basis van het bijgevoegde nadere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 februari 2016.
1.4.
Appellante heeft hierop gereageerd met een nader rapport van haar medisch adviseur Derks, gedateerd 28 april 2016. De medisch adviseur vindt dat uit de van de behandelend psychiater verkregen informatie niet duidelijk wordt hoe ernstig de psychische klachten in 2013 nog waren, nu in juli 2013 bleek dat de werkneemster veel meer kon dan gedacht door de psychiater en bovendien een driemaandelijks bezoek aan de psychiater niet wijst op een intensieve behandeling en niet aannemelijk is dat op grond van deze beperkte intensieve behandeling een wijziging in de energetische belastbaarheid is ontstaan in de periode van januari 2013 tot juli 2013.
2.1.
De Raad komt tot de volgende overwegingen.
2.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 25 februari 2016 te kennen gegeven dat de ontvangen informatie van de behandelend arts van 15 december 2014 het vastgestelde ziektebeeld van de werkneemster heeft bevestigd. Uit deze informatie blijkt dat de werkneemster over de periode van mei 2012 tot juli 2013 in behandeling is geweest wegens dit ziektebeeld. Terecht is, volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep, een medische urenbeperking tot 20 uur per week vastgesteld, vanwege uit het ziektebeeld voortvloeiende energetische beperkingen en daarnaast uit preventief oogpunt, gelet op de medische voorgeschiedenis en intensieve behandeling. Bij dit rapport, in samenhang met de eerdere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 juni 2013, 28 juli 2014 en 5 november 2015, is inzichtelijk en overtuigend onderbouwd dat de werkneemster op de datum in geding van 3 januari 2016 beperkingen ondervond ten gevolge van het vastgestelde ziektebeeld en dat een medische urenbeperking tot 4 uur per dag, 20 uur per week, aangewezen was, gelet op de informatie van de behandelend sector en de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen. Door appellante is met name de vastgestelde urenbeperking van 20 uur per week bestreden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft echter afdoende gemotiveerd dat een urenbeperking van deze omvang noodzakelijk is, uit energetisch en preventief oogpunt. Het hoger beroep slaagt niet op dit punt.
2.3.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 18 augustus 2014 inzichtelijk en overtuigend onderbouwd dat het opleidingsniveau van de werkneemster dient te worden bijgesteld naar niveau 4 en de opleidingsrichting commercieel niet langer wordt uitgesloten bij het selecteren van functies. Hiermee is tegemoet gekomen aan de in hoger beroep aangevoerde gronden op dit punt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de uitsluiting van de opleidingsrichting administratief bij het selecteren van functies gehandhaafd, waarbij hij zijn standpunt eveneens inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd. Voorts is afdoende inzichtelijk gemaakt dat de bij de 28 niet-eindgeselecteerde sbc-codes behorende functies niet geschikt zijn te achten voor de werkneemster. Het hoger beroep slaagt op deze punten evenmin.
2.4.
Door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is bij rapporten van 9 juli 2013 en
18 augustus 2014 afdoende toegelicht dat de geselecteerde functies van huishoudelijk medewerker gebouwen, samensteller kunststof en medewerker tuinbouw geschikt zijn te achten voor de werkneemster, met inachtneming van de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 20 juni 2013. Terecht is dan ook bij het bestreden besluit het primaire besluit van 5 december 2012 tot toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 3 december 2013 gehandhaafd, onder bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 35,29%.
2.5.
Gelet op de gedane tussenuitspraak dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd evenals het bestreden besluit. Gelet op de overwegingen 2.2 tot en met 2.4 zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.
2.6.
Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.240,- (2,5 punt) in beroep en
€ 1.836,26 (3 punten en € 348,26 voor de door appellant ingebrachte rapporten van de deskundigen) in hoger beroep, in totaal € 3.076,26.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 29 juli 2013;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 juli 2013 geheel in stand blijven;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal
€ 3.076,26;
- bepaalt dat het Uwv de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal
€ 811,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2016.
(getekend) J.P.M. Zeijen
Deze griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

NK