ECLI:NL:CRVB:2016:2462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit na eerste ziektejaar
Appellante was als magazijnmedewerker werkzaam en meldde zich ziek na een flauwvallen op het werk. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij vanaf 1 maart 2014 geen recht meer had op een Ziektewetuitkering omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen in functies als snackbereider, machinaal metaalbewerker en productiemedewerker.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de verzekeringsarts zijn conclusies voldoende had gemotiveerd. Ook de arbeidsdeskundige had toegelicht dat de belastbaarheid niet werd overschreden in de geselecteerde functies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende rekening had gehouden met psychische klachten en dat de functies ongeschikt en risicovol waren. De Centrale Raad van Beroep volgde echter het oordeel van de rechtbank en het UWV. De verzekeringsarts had appellante gezien en alle relevante informatie betrokken. De arbeidsdeskundige had de belastbaarheid adequaat beoordeeld.
Omdat appellante meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen, is de Ziektewetuitkering terecht beëindigd. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd omdat appellante meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen.