Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
van in totaal € 413,- vergoedt;
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als medewerker basiseenheid/hondengeleider bij de politie, kreeg op 21 mei 2013 een voorwaardelijk strafontslag opgelegd wegens vermeend plichtsverzuim. Dit betrof onder meer het zonder toestemming gebruiken van een dienstvoertuig, snelheidsovertredingen en een aanrijding. Na nieuw onderzoek bleek dat enkele verwijten niet juist waren, maar de korpschef besloot toch tot tenuitvoerlegging van het strafontslag op 26 mei 2014.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd vastgesteld dat de drie verwijten waarop de tenuitvoerlegging was gebaseerd niet konden worden gehandhaafd. Zo was het gebruik van het dienstvoertuig in een onvoorziene situatie met toestemming van een chef van dienst, en was de snelheidsovertreding gerechtvaardigd door een prio-1-melding. Ook werd het formulier voor intrekking/seponering van een overtreding naar waarheid ingevuld.
De Raad concludeerde dat er geen sprake was van plichtsverzuim en dat de korpschef niet bevoegd was het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het besluit van 26 mei 2014 herroepen en de korpschef werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag wordt herroepen wegens ontbreken van plichtsverzuim.