ECLI:NL:CRVB:2016:2556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing studiefinanciering thuiswonende studente ondanks feitelijk uitwonend
Appellante ontving studiefinanciering volgens de norm voor thuiswonende studenten omdat zij in de basisregistratie personen (BRP) onder hetzelfde adres als haar ouders stond ingeschreven. Na een wijziging in haar woonsituatie gaf zij aan uitwonend te zijn, waarna de minister studiefinanciering toekende volgens de uitwonende norm. Echter, na een adrescontrole wijzigde de minister dit terug naar de thuiswonende norm en vorderde het te veel betaalde bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat de minister terecht haar studiefinanciering als thuiswonende had vastgesteld, en dat toepassing van de hardheidsclausule niet op zijn plaats was. In hoger beroep stelde appellante dat zij feitelijk bij haar zus woont, een woonruimte huurt en bijdraagt in de kosten, en dat dit aanleiding geeft tot toepassing van de hardheidsclausule.
De Raad oordeelde dat de wettelijke definitie van thuiswonende en uitwonende studerende in de Wsf 2000 strikt is en dat het feit dat appellante in de BRP op hetzelfde adres als haar ouders staat ingeschreven doorslaggevend is. De omstandigheden van feitelijk uitwonen en de verhuizing van ouders naar hetzelfde adres zijn niet relevant voor de beoordeling. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door J. Brand namens de Centrale Raad van Beroep op 6 juli 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de studiefinanciering blijft berekend volgens de norm voor thuiswonenden.