Uitspraak
H. van der Most en mr. A. van der Weerd. In de gevoegde zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
AOW-pensioen van appellant niet ingegaan [in] 2013, zoals voor de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd het geval zou zijn geweest, maar op 18 maart 2013.
AOW-leeftijd met een maand een “individual and excessive burden” met zich meebrengt. Hij ontving gedurende deze maand een lagere uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en bekend is dat een lager inkomen statistisch gezien leidt tot een lagere levensverwachting. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij het gerechtvaardigde vertrouwen had per 18 februari 2013 AOW-pensioen te ontvangen, dat er geen reden was de wijziging van de AOW zo snel door te voeren en dat er een langere invoeringstijd gehanteerd had kunnen worden. Hij verwijst in dit verband naar andere regelingen en naar jurisprudentie over dit onderwerp. Appellant heeft er voorts op gewezen dat hij niet had aangevoerd dat sprake zou zijn van ongelijke behandeling naar leeftijd, maar dat hij van mening is dat de ingreep in de AOW in strijd is met de “egalité devant les charges publiques”. De overbruggingsregeling is zijns inziens in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Ten slotte heeft appellant gesteld dat zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Voor zover hij zich kan herinneren heeft hij per gewone brief een ingebrekestelling verzonden.
8 oktober 2013, nr. 57725/12, Mateus en van 1 september 2015, nr. 13341/14, Da Silva Carvalho Rico) is beperking van de overheidsuitgaven een gerechtvaardigde doelstelling in het belang van het veiligstellen van het stelsel van sociale zekerheid en het beschermen van de nationale economie, waarbij de staat een ruime beoordelingsmarge heeft om te bepalen wat in het algemeen belang is. De Raad concludeert dan ook dat aan de wetswijziging een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag ligt. Door appellant is de noodzaak tot ingrijpen op korte termijn bestreden. Hij heeft zijn stellingen in deze niet met gegevens onderbouwd. Bovendien betreft het hier een afweging van belangen die binnen het democratisch proces plaatsvindt en die, zoals hiervoor is overwogen, binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de Staat valt.
blz. 7). Daarom is een aantal overgangsmaatregelen genomen om de overbrugging voor deze mensen te versoepelen. Deze overgangsmaatregelen bestonden onder meer uit de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd, een voorschotregeling voor de eerste jaren en de met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 ingevoerde Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). Volgens de Toelichting bij de OBR is deze regeling bedoeld om mensen compensatie te bieden die op of voor 1 januari 2013 al deelnamen aan een vut-, prepensioen of daarmee vergelijkbare regeling die eindigt bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd, voor wie het AOW-pensioen het belangrijkste deel van het besteedbaar inkomen is en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de
AOW-leeftijd. De looptijd van deze regeling, aanvankelijk tot 2019, is verlengd tot 2023. De regeling kent een inkomens- en vermogenstoets, waarbij het eigen huis en het pensioenvermogen buitenbeschouwing blijven. Van personen die een inkomen of vermogen hebben boven de gestelde grenzen, wordt verondersteld dat zij voldoende financiële reserves hebben om het tijdelijke inkomensverlies op te vangen.
BESLISSING
E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2016.