ECLI:NL:CRVB:2016:2637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging hulp bij het huishouden wegens voldoende zelfredzaamheid
Appellant had een voorziening voor hulp bij het huishouden toegekend gekregen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), maar zijn aanvraag tot verlenging hiervan werd door het bestuur afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op een rapport van de GGD waarin werd geconcludeerd dat appellant ondanks zijn beperkingen in staat was het huishouden zelf te doen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat het onderzoek onvolledig was en zijn beperkingen onderschat werden. Hij voerde aan niet zelfstandig het huishouden te kunnen voeren en dat de hardheidsclausule van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden toegepast had moeten worden.
De Raad benoemde twee deskundigen die onafhankelijk onderzoek deden. Neuroloog Geerlings stelde vast dat appellant ernstige beperkingen heeft, maar dat als hij het huishouden kan doen, hij niet meer tijd kwijt is dan gemiddeld. Verzekeringsarts De Brouwer concludeerde dat appellant met zijn beperkingen in staat is het huishouden te voeren binnen de normale tijd.
De Raad oordeelde dat de voorzieningenrechter terecht direct uitspraak deed en dat de deskundigenrapporten zorgvuldig en consistent waren. Er was geen reden om de rapporten te verwerpen. Ook was er geen sprake van een bijzonder geval dat toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigde.
Daarom werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot verlenging van hulp bij het huishouden bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag tot verlenging van hulp bij het huishouden is terecht afgewezen omdat appellant het huishouden binnen de gebruikelijke tijd zelf kan verrichten.