ECLI:NL:CRVB:2016:2653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond aanvankelijk ingeschreven op een ander adres dan appellante. Vanaf 1 februari 2014 stonden zij samen ingeschreven, maar het college vermoedde dat zij al eerder een gezamenlijke huishouding voerden. Na onderzoek door de sociale recherche, waaronder waarnemingen en getuigenverklaringen, besloot het college de bijstand met ingang van 21 oktober 2013 in te trekken en de kosten terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten dat appellant vanaf die datum zijn hoofdverblijf bij appellante had. De Raad overwoog dat het aanhouden van aparte adressen in de GBA niet uitsluit dat sprake kan zijn van een gezamenlijk hoofdverblijf, dat beoordeeld moet worden aan de hand van feiten en omstandigheden.
De Raad hechtte zwaar aan de verklaring van appellante aan de sociale recherche, de waarnemingen waarbij appellant regelmatig bij appellante verbleef en de verklaringen van buurtbewoners. Deze feiten boden voldoende grondslag voor het standpunt van het college. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.