ECLI:NL:CRVB:2016:2730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs bijstandbehoevendheid na detentie
Appellant vroeg bijstand aan na een periode van detentie, maar kon niet aantonen waarvan hij heeft geleefd sinds zijn vrijlating op 27 oktober 2007. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid. Appellant overlegde onder meer verklaringen van familie en bankafschriften, maar deze waren onvoldoende concreet en verifieerbaar om zijn financiële situatie te verduidelijken.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet aannemelijk had gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag in de relevante periode. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting. De Raad benadrukte dat de bewijslast bij de aanvrager ligt en dat het college terecht informatie vroeg over de periode vanaf de datum van de aanvraag tot het besluit.
De Raad verwierp ook het verweer dat de situatie vergelijkbaar was met een eerdere bijstandsverlening in 2006, omdat appellant toen wel contact hield met het college en bekend was waar hij verbleef. Nu dit bij de huidige aanvraag ontbrak, was de situatie niet vergelijkbaar. De aanvraag werd daarom terecht afgewezen en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd terecht afgewezen wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid na detentie.