ECLI:NL:CRVB:2016:2755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende inzicht financiële situatie voorafgaand aan aanvraag
Appellante diende op 1 juli 2014 een aanvraag om bijstand in na melding op 20 mei 2014. Zij verklaarde verlaten te zijn door haar man en geen inkomen te hebben. Het college verzocht om bankafschriften, waaruit bleek dat in de periode van 7 maart tot 31 mei 2014 stortingen van € 6.709,- waren gedaan. Appellante gaf aan dat haar man contant geld aan haar gaf, dat zij vervolgens op haar rekening stortte en terug overmaakte naar zijn rekening voor huurbetalingen van een stichting.
Het college vond de toelichting onvoldoende omdat appellante niet met verifieerbare bewijsstukken de herkomst van het geld aannemelijk maakte. De rechtbank wees het beroep tegen de afwijzing van de bijstand toe, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellante niet voldeed aan haar inlichtingenverplichting en onvoldoende duidelijkheid gaf over haar financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag.
De Raad wees erop dat de periode van beoordeling loopt van de melding tot het primaire besluit en dat de lat voor bewijs en transparantie hoog ligt. De latere toekenning van bijstand per 11 augustus 2014 viel buiten de beoordelingsperiode en hing samen met het ontbreken van kasstortingen op dat moment. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.