ECLI:NL:CRVB:2016:2793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting AOW-pensioen en partnertoeslag wegens niet-verzekerde perioden
Appellant, geboren in 1948 en woonachtig in Duitsland, ontving vanaf 1978 een WAO-uitkering en verhuisde in 1981 naar Duitsland. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd vroeg hij een AOW-pensioen aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een AOW-pensioen toe met korting wegens niet-verzekerde perioden, evenals een partnertoeslag met korting vanwege niet-verzekerde tijdvakken van zijn echtgenote.
Appellant maakte bezwaar tegen de korting vanaf 2000, stellende dat hij niet geïnformeerd was over het vervallen van de verplichte verzekering en de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering, en dat de toeslag voor zijn echtgenote onjuist was berekend. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de Svb geen informatieplicht had en de toeslag correct berekend was.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, onder meer dat het vervallen van artikel 26 KB Pro 746 tot discriminatie zou leiden en dat de Duitse premiebetaling meegewogen moest worden. De Raad onderschreef de rechtbank en voegde toe dat appellant bij de eerste WAO-uitkering had kunnen constateren dat geen premies meer werden ingehouden. Het indirecte onderscheid naar nationaliteit is objectief gerechtvaardigd door het ingezetenschapsbeginsel. De Duitse verzekeringstijdvakken kunnen niet worden betrokken bij de AOW-berekening vanwege Europese regelgeving.
De Raad concludeerde dat de Svb de toeslag op juiste wijze heeft berekend en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de korting op het AOW-pensioen en de partnertoeslag wordt bevestigd.